Een Smidsvuur van Moed . Морган Райс

Читать онлайн.
Название Een Smidsvuur van Moed
Автор произведения Морган Райс
Жанр Героическая фантастика
Серия Koningen En Tovernaars
Издательство Героическая фантастика
Год выпуска 0
isbn 9781632914712



Скачать книгу

ooit kende en liefhad is er niet meer.”

      Er volgde een lange stilte, en ten midden van het huilen van de wind bad Alec dat hij het bij het verkeerde eind had—maar diep van binnen wist hij dat hij gelijk had. Hoe kon het leven zo snel veranderen? vroeg hij zich af.

      “Maar jij leeft nog,” vervolgde Sovos, “en dat is een zeer waardevol geschenk. Vergooi het niet. Je kunt vele anderen helpen, als je de beproeving doorstaat.”

      Alec fronste.

      “Welke beproeving?” vroeg hij.

      Sovos draaide zich om en keek hem doordringend aan.

      “Als jij degene bent die we zoeken,” zei hij, “dan hangt ons lot van jou af; zo niet, dan hebben we niets aan je.”

      Alec probeerde het te begrijpen.

      “We zeilen nu al dagen en we zijn nog nergens,” observeerde Alec. “Alleen maar verder op zee. Ik kan Escalon niet eens meer zien.”

      De man grijnsde.

      “En waar denk jij dat we heen gaan?” vroeg hij.

      Alec haalde zijn schouders op.

      “Het lijkt erop dat we naar het noordoosten zeilen. Misschien naar Marda.”

      Alec keek verbitterd naar de horizon.

      Uiteindelijk gaf Sovos antwoord.

      “Hoe fout kun je zitten, jongen,” antwoordde hij. “Hoe fout kun je zitten.”

      Sovos wendde zich weer tot het roer terwijl er een sterke wind op stak. Alec keek langs hem heen, en zag tot zijn verbazing, voor het eerst sinds ze waren vertrokken, iets aan de horizon liggen.

      Hij haastte zich opgewonden naar de reling.

      In de verte doemde land op. Het land leek te glinsteren, alsof het van diamanten was gemaakt. Alec bracht zijn hand naar zijn ogen en tuurde in de verte. Hij vroeg zich af wat het kon zijn. Welk eiland kon er nu hier in de middle of nowhere liggen? Hij pijnigde zijn hersenen, maar kon zich geen land herinneren op de kaarten. Was het soms een land waar hij nog nooit van gehoord had?

      “Wat is dat?” vroeg Alec vol verwachting.

      Sovos draaide zich om, en voor het eerst sinds Alec hem had ontmoet, glimlachte hij breed.

      “Welkom, mijn vriend,” zei hij, “op de Verloren Eilanden.”

      HOOFDSTUK ZEVEN

      Aidan stond vastgebonden aan een paal, niet in staat om te bewegen, terwijl hij naar zijn vader keek, die een paar meter voor hem knielde, omsingeld door Pandesiaanse soldaten. Ze hielden hun zwaarden boven zijn nek.

      “NEE!” schreeuwde Aidan.

      Hij probeerde los te breken. Hij wilde naar voren te rennen en zijn vader te redden, maar hoe hard hij het ook probeerde, er was geen beweging in te krijgen. De touwen sneden in zijn polsen en enkels, en hij was gedwongen om hulpeloos toe te kijken hoe zijn vader daar knielde, zijn ogen gevuld met tranen.

      “Aidan!” riep zijn vader, die zijn hand naar hem uitstrekte.

      “Vader!” riep Aidan terug.

      De zwaarden kwamen naar beneden, en een moment later spatte het bloed in Aidans gezicht terwijl ze zijn vaders hoofd afhakten.

      “NEE!” schreeuwde Aidan. Het voelde alsof zijn eigen leven uit hem werd weggezogen, alsof hij in een zwart gat viel.

      Aidan werd met een schok wakker, snakkend naar adem, badend in het koude zweet. Hij ging rechtop zitten in de duisternis en probeerde erachter te komen waar hij was.

      “Vader!” riep Aidan, nog half in slaap. Hij zocht naar hem en voelde een ongelofelijk drang om hem te redden.

      Hij keek om zich heen. Hij voelde iets in zijn gezicht en in zijn haar, op zijn lichaam, en besefte dat hij moeite had met ademhalen. Hij strekte zijn hand uit, trok iets lichts en langs van zijn gezicht, en realiseerde zich dat hij in een stapel hooi lag. Hij veegde het hooi snel van zich af en ging rechtop zitten.

      Het was donker. Het vage licht van een fakkel scheen door de planken heen, en hij besefte dat hij in een wagen lag. Naast hem klonk geritsel, en toen hij omkeek zag hij tot zijn opluchting dat het White was. De enorme hond sprong op en likte zijn gezicht terwijl Aidan hem knuffelde.

      Aidan hijgde, nog steeds overweldigd door de droom. Het had te echt geleken. Was zijn vader echt vermoord? Hij probeerde terug te denken aan toen hij hem voor het laatst had gezien, op de koninklijke binnenplaats, omsingeld door Pandesiaanse soldaten. Hij herinnerde zich dat hij had geprobeerd om hem te helpen, waarna hij in het diepst van de nacht door Motley was meegenomen. Hij herinnerde zich dat Motley hem in deze wagen had gezet, en dat ze door de achterafstraten van Andros waren gevlucht.

      Dat verklaarde de wagen. Maar waar waren ze heen gegaan? Waar had Motley hem mee naartoe genomen?

      Er ging een deur open, en de donkere kamer werd opgelicht door het licht van een fakkel. Eindelijk kon Aidan zien waar hij was: een kleine stenen kamer, met een laag, gewelfd plafond. Het zag eruit als een klein huisje of een taverne. Hij keek op en zag Motley in de deuropening staan, omgeven door het licht van de fakkel.

      “Blijf vooral zo schreeuwen, dan vinden de Pandesianen ons wel,” waarschuwde Motley.

      Motley draaide zich om en liep de kamer uit, terug naar de goedverlichte kamer in de verte. Aidan sprong uit de wagen en volgde, White op zijn hielen. Terwijl Aidan de andere kamer binnen liep sloot Motley de dikke eikenhouten deur achter hem, en vergrendelde hem.

      Aidan keek om zich heen terwijl zijn ogen aan het licht begonnen te wennen, en herkende bekende gezichten: Motleys vrienden. De acteurs. Alle entertainers van de reis. Ze waren allemaal hier, allemaal verstopt in deze raamloze stenen pub. Alle gezichten, voorheen zo blij, waren nu somber.

      “De Pandesianen zitten overal,” zei Motley tegen Aidan. “Niet te hard praten.”

      Aidan schaamde zich. Hij had zich niet eens gerealiseerd dat hij had geschreeuwd.

      “Sorry,” zei hij. “Ik had een nachtmerrie.”

      “We hebben allemaal nachtmerries,” antwoordde Motley.

      “We leven in een nachtmerrie,” voegde een andere acteur somber toe.

      “Waar zijn we?” vroeg Aidan terwijl hij verbaasd om zich heen keek.

      “Een taverne,” antwoordde Motley, “in de verste uithoek van Andros. We zijn nog steeds in de hoofdstad. De Pandesianen patrouilleren buiten. Ze zijn al een aantal keer voorbij gelopen, maar ze zijn niet naar binnen gekomen—en dat zullen ze ook niet doen als je je mond houdt. We zijn veilig hier.”

      “Voor nu,” riep één van zijn vrienden op sceptische toon.

      Aidan, die een drang voelde om zijn vader te helpen, probeerde het zich te herinneren.

      “Mijn vader,” zei hij. “Is hij… dood?”

      Motley schudde zijn hoofd.

      “Ik weet het niet. Ze hebben hem meegenomen. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.”

      Aidan voelde een golf van wrok.

      “Je hebt me meegesleurd!” zei hij boos. “Dat had je niet moeten doen. Ik had hem kunnen helpen!”

      Motley wreef over zijn kin.

      “En hoe had je dat willen doen?”

      Aidan haalde zijn schouders op.

      “Ik weet het niet,” antwoordde hij. “Op de één of andere manier.”

      Motley knikte.

      “Je zou het geprobeerd hebben,” stemde hij in. “En dan zou je nu ook dood geweest zijn.”

      “Is hij dood dan?” vroeg Aidan terwijl hij zijn hart voelde samentrekken.